Een kopertekort kan extra embryonale sterft tot gevolg hebben.

Een kopertekort zal zich eerder uiten in andere gebrekverschijnselen (koperbril, afwijkende vachtkleur).

Een tekort aan koper zal daarom pas gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid als ook andere gebrekverschijnselen zichtbaar zijn. (Ter Wee, 1995)


Volgens het Handboek Melkveehouderij (1997) worden de volgende normen voor selenium en koper gehanteerd:

De benodigde hoeveelheid koper in het rantsoen is tien milligram per kilogram droge stof en de benodigde hoeveelheid selenium in het rantsoen is 0,15 milligram per kilogram droge stof.

Meer over mineralen en sporenelementen zie de sites van : nmi-agro    of  ecovital
                                                                                                                   (klik op naam)
Meer over koper (PDF File) :Louis bolk (klik op naam)
Bij een seleniumtekort na het afkalven is er een verhoogd risico dat de dieren aan de nageboorte blijven staan.

Hierdoor zal de cyclus langzamer op gang komen.
Als er al een tekort aan mineralen optreedt, gaat het vaak om selenium of koper.

Bij dieren die langere tijd geen krachtvoer krijgen, kan een tekort aan mineralen ontstaan als het rantsoen te eenzijdig is.

Een koper- of selenium-tekort wordt daarom meestal waargenomen bij jongvee dat een langere periode aangewezen zijn op gras zonder extra krachtvoer.

Een kopertekort kan ontstaan op koperarme gronden, zoals veen- en zandgronden.
Mineralen- en/of vitaminetekorten worden dikwijls in één adem genoemd met vruchtbaarheidsproblemen.
In de praktijk zal echter een tekort aan mineralen en vitaminen zelden optreden, omdat krachtvoer meer dan genoeg mineralen bevat.
4. Mineralen en/of  vitamine tekort.
3. Eiwit-overmaat.

Een hoog eiwitgehalte verhoogt in het algemeen de smakelijkheid van het rantsoen. Amerikaanse onderzoekers concludeerden dat een hoog bestanddeel aan onbestendig eiwit in het rantsoen de vruchtbaarheid van melkvee negatief kan beïnvloeden.

Daarbij is de verhouding tussen de hoeveelheid opgenomen energie en de hoeveelheid opgenomen onbestendig eiwit bepalend voor het negatieve effect. Onbestendig eiwit wordt in de pens afgebroken en omgebouwd tot bacterieel eiwit.

Bij een overmaat aan eiwit wordt een deel als ammoniak en ureum opgenomen in het bloed.
Hoge ammoniak- en ureumspiegels in het bloed kunnen de voortplantingscyclus beninvloeden.
Daarvoor worden in de Amerikaanse literatuur twee redenen genoemd:
Ureum en ammoniak verlagen de levensduur van sperma, eicellen en bevruchte ei.  

Ureum en ammoniak beïnvloeden de hormoonafgiftecellen in het vrouwelijk geslachtsapparaat

Welke oorzaak juist is, is moeilijk aan te geven.
Mogelijk spelen beide oorzaken een rol.
Door Kruif & Mijten (1990) wordt aangegeven dat bij rantsoenen met minder dan 18 % aan ruw eiwit vrijwel nooit reproductiestoornissen zullen optreden. Bij hogere gehalten aan ruw eiwit kunnen er fertiliteitstoornissen ontstaan. Een te hoog DVE-gehalte kan vruchtbaarheidsproblemen geven. (Ter Wee, 1995)

Er is een goed middel om de conditie van uw veestapel te bepalen. " CONDITIESCORE"
wp7e898237.png

Voeding kan een belangrijke oorzaak van tegenvallende vruchtbaarheid op een bedrijf zijn. Er zijn vier factoren waarin de invloed van voeding kan worden ingedeeld, namelijk een energietekort, een energieovermaat, een eiwitovermaat en een mineralen- en vitaminetekort.


1.Energie-tekort.

In het begin van de lactatie verkeren vrijwel alle koeien in een negatieve energiebalans.
En dat is, fysiologisch gezien, normaal. Er is alleen sprake van een negatieve invloed op de vruchtbaarheid wanneer de energiebalans te sterk negatief wordt.

Een negatieve energiebalans kan meerdere oorzaken hebben:

-         Het rantsoen bevat te weinig energie !

-         Het aantal vreetplaatsen aan het voerhek is te klein !

-         De koe is niet in staat voldoende voer op te nemen, bijvoorbeeld omdat ze te vet is bij                                                        het afkalven, kreupel is, slepende melkziekte heeft, pensverzuring heeft !



Bij dieren die in een sterk negatieve energiebalans zitten, komt de voortplantingscyclus langzamer op gang. Dit heeft tot gevolg dat deze dieren na het afkalven minder snel weer tochtig of minder duidelijk tochtig worden. Het tijdig drachtig krijgen van deze koeien is moeilijk.

Het rantsoen van nieuwmelkte koeien moet zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met hun energiebehoefte. Dat betekent dat de krachtvoergift, zeker in het begin van de lactatie, niet teveel beperkt mag worden. De krachtvoergift na afkalven moet wel zo geleidelijk mogelijk worden opgevoerd. Het ruwvoer moet van een goede kwaliteit zijn met voldoende structuur.

Het aantal vreetplaatsen aan het voerhek moet minimaal overeenkomen met het aantal koeien, zodat ieder dier naar behoefte voer kan opnemen. (Ter Wee, 1995)

wpb21c1f3a_1b.jpg

2.Energie-overmaat.


Dieren die tijdens het laatste deel van de lactatie en de droogstand teveel energie hebben opgenomen zijn op het moment van afkalven teveel vervet. Deze vervetting heeft meerdere consequenties. Dieren die in een te goede conditie zijn op het moment van afkalven, lopen een verhoogd risico op het aan de nageboorte blijven staan. Bovendien bestaat de kans op een vertraagde involutie van de baarmoeder en lopen de dieren een verhoogd risico op kalfziekte en/of slepende melkziekte. Door deze aandoeningen komt de voortplantingscyclus later op gang dan normaal.

Droge koeien moeten zoveel mogelijk op de norm gevoerd worden. De koeien mogen niet vervetten. Het voer moet bestaan uit energie-arm ruwvoer. Aan droogstaande koeien die op stal staan moet ruwvoer van een verminderde kwaliteit worden verstrekt dan aan de producerende koeien. (Ter Wee, 1995)

Volgens Praktijkonderzoek Veehouderij kan in de eerste zes weken van de droogstand als richtlijn voor het voeren gelden dat een koe wordt gevoerd met een hoeveelheid energie en eiwit voldoende voor onderhoud en zes à zeven kilogram melk met een vetpercentage van 4,00 en een eiwitpercentage van 3,30. Dit komt overeen met 8000 VEM, 350 DVE en 100 OEB.

Om bij droogstaande koeien problemen met voerovergangen rond het kalven te voorkomen heeft het de voorkeur om tien à veertien dagen voor afkalven deze koeien te laten wennen aan het ruwvoerrantsoen dat na afkalven wordt verstrekt. Dit geldt ook voor het geven van wat krachtvoer, dat komt neer op één à twee kilo per koe.


wpca016cd4_1b.jpg

De pens heeft zich dan inmiddels kunnen aanpassen aan het nieuwe rantsoen. In deze periode neemt de droge-stofopname geleidelijk af, terwijl de energie- en eiwitbehoefte is toegenomen. Het voeren naar onderhoud en negen à tien kilogram melk met 4,00 % vet en 3,30 % eiwit is in deze periode een goed te hanteren norm. Dit komt neer op een VEM-gehalte van 9000 à 9500 en een DVE-gehalte van 500. (www.pv-wur.nl)
Invloed van de voeding.
wp782043f7_1b.jpg