3.3. Plaats van insemineren
Als de te insemineren dieren niet afgezonderd worden, is de kans groter dat er geen bevruchting plaatsvindt. De tochtige koe wordt constant dor koppelgenoten besprongen en is hierdoor onrustig. Het is daarom belangrijk dat tochtige koeien uit de koppel worden gehaald.
Dieren die geïnsemineerd moeten worden, worden bij voorkeur apart gehouden van koppelgenoten zodat zij niet besprongen kunnen worden. Zij moeten wel (oog)contact met de koppel kunnen houden, zodat de koe rustig blijft. (Ter Wee, 1995)
Ook is het verstandig om de koe tijdens de inseminatie vast te zetten zodat deze in alle rust uitgevoerd kan worden.
Stress is altijd nadelig op het bevruchtingsresultaat.
3.4. Bevruchtend vermogen van gebruikte stieren
De huidige winnings-, verdunnings, en invriestechnieken hebben het mogelijk gemaakt dat de sperma van goed verervende stieren breed kan worden ingezet. Toch kunnen deze technieken
niet voorkomen dat het sperma een deel van het bevruchtend vermogen verliest. De achteruitgang in het bevruchtend vermogen verschilt van stier tot stier. Hier moet wel bij worden opgemerkt dat de kwaliteit van het sperma wordt getest op de KI-stations. Hiermee wordt voorkomen dat sperma met een erg laag bevruchtend vermogen wordt ingezet.
Indien getwijfeld wordt aan de kwaliteit van het gebruikte sperma, worden de non-returnpercentages van de stieren met elkaar vergeleken. Deze non-returnpercentages worden jaarlijks gepubliceerd. Indien veel stieren gebruikt worden met een laag non-returnpercentage kan een andere stierkeuze overwogen worden. (Ter Wee, 1995)